Blog mindset: Denk als een kikker

Uitdagingen en fouten maken horen bij sport. De manier waarop een sporter met uitdagingen en fouten omgaat, is bepalend voor zijn ontwikkeling. De mindset van een sporter is hierbij van belang. De mindset is de manier waarop een sporter denkt en tegen een situatie aankijkt. Sporters kunnen op twee manieren op een uitdaging of fout reageren.

In de eerste plaats is er de groep sporters die fouten wil vermijden. In hun ogen is een fout een toonbeeld van zwakte. Uitdagingen worden uit de weg gegaan. Immers; bij het doen van nieuwe of moeilijke dingen is de kans op het maken van een fout groter. Deze sporters blijven liever op bekend terrein. Ze doen vooral dingen die ze al goed kunnen en die weinig moeite kosten. Ze hebben de overtuiging dat hun vaardigheden, sterk of zwak, vastliggen. Ze zijn wie ze zijn. Deze groep sporters heeft een vaste mindset. Ze zijn net als een luiaard, die hoog en veilig op zijn gemakje in een boom blijft zitten.

kikker-voetbal
Dan is er de groep sporters die een fout als een leermoment beschouwt. Zij gaan een uitdaging aan, omdat zij inzien dat dat hen verder helpt. Ze hebben de overtuiging dat ze beter kunnen worden. Dat hun minder goede vaardigheden zich kunnen ontwikkelen. Ze zijn zich er tevens van bewust dat dat niet vanzelf gebeurt. Verandering vraagt tijd en vergt inzet. Deze groep sporters heeft een groeimindset. Het zijn net kikkers, die zich ontwikkelen van kikkerdril naar kikkervisje tot volwassen kikker.

Sporters met een groeimindset ontwikkelen zich niet alleen meer ten opzichte van hun collega’s met een vaste mindset. Hun zelfvertrouwen is doorgaans groter en sterker. Ze staan positiever tegenover het leren van nieuwe dingen. “Ik kan dit NOG niet”, in plaats van “Ik kan dit TOCH niet”. Ze kunnen beter met fouten omgaan. Ze realiseren zich dat het maken van fouten ze een stap verder brengt. En omdat ze zichzelf vooruit zien gaan, groeit hun zelfvertrouwen weer.

Om een groeimindset te ontwikkelen is lef en doorzettingsvermogen nodig. Lef om uitdagingen aan te gaan, nieuwe dingen te proberen en fouten te durven maken. Doorzettingsvermogen om te blijven oefenen, ook als iets niet meteen lukt. Leren gaat met vallen en opstaan.

Ouders en trainers kunnen een groeimindset bevorderen door het aangaan van uitdagingen te stimuleren en fouten als onderdeel van het leerproces te zien. Een fout is eigenlijk een bron van informatie om het de volgende keer beter te doen. Van onschatbare waarde dus! Fouten maken mag, nee moet. Want zonder fouten geen ontwikkeling.


Blog procesdoelen: Goed gemutst

Sporters hebben altijd een doel voor ogen. Vaak zijn dit resultaatdoelen: kampioen worden, in de top-3 eindigen, het verbeteren van een PR of plaatsing voor een toernooi. Mijn vraag is dan altijd: hoe ga je dat doel bereiken? Op deze manier neem ik de sporter mee in de weg ernaartoe. Wat is ervoor nodig om je PR te verbeteren bijvoorbeeld? Zo komt een sporter uit bij procesdoelen: explosiever uit de startblokken komen, de bovenbeenspieren versterken of het duurvermogen vergroten.

Procesdoelen moeten vervolgens invulling geven aan de training. Veel sporters trainen echter zonder specifiek procesdoel. Een gemiste kans! Werken aan een doel vergroot de motivatie en geeft een sporter inzicht in zijn ontwikkeling. Daarbij is het van belang de goede doelen te stellen. Een doel dat ik vaak hoor is: “Ik ga goed spelen”. Om verschillende redenen valt er met dit doel niet te werken. Want wat is “goed”? En wanneer heeft de sporter zijn doel bereikt? Een goed geformuleerd procesdoel moet aan vier kenmerken voldoen. Het doel is Meetbaar, Uitdagend, aan Tijd gebonden en Specifiek. Samen te vatten in het woord MUTS.

challenge
Een voorbeeld van een goed geformuleerd doel voor een tennisser is: “Deze training sla ik mijn backhand met topspin, zodat meer dan 70% van de ballen met een marge van minimaal een halve meter over het net gaat.”

De meetbaarheid komt terug in twee onderdelen. 70% van de ballen is het eerste. Minimaal een halve meter over het net is het tweede. Span een touw een halve meter boven het net en tellen maar. Het kan handig zijn als iemand anders, zoals de trainer, dit doet. De uitdaging zit hem in de 70%. 50% zou makkelijk te halen zijn. Voor een volgende training kan dit percentage altijd naar boven of beneden worden bijgesteld op basis van de resultaten. Deze training is de tijd waar dit doel voor geldt. Er kunnen ook doelen gesteld worden voor de lange(re) termijn. Zoals: aan het eind van het winterseizoen zit mijn tweede servicepercentage boven de 80%. Per training kan er dan aan specifieke onderdelen van de servicebeweging worden gewerkt, zoals opgooi en raakpunt. De gedetailleerde omschrijving maakt het doel specifiek. Het doel omvat de volgende punten: het type slag (backhand), manier van spelen (topspin) en de punten waarop gemeten wordt. Vergelijk het doel uit het voorbeeld maar eens met: “Ik ga met meer topspin spelen.” Lang niet zo specifiek.

Met deze kennis over het stellen van procesdoelen gaat elke sporter in het vervolg goed gemutst de training in.


Blog intrinsieke motivatie:

De 10-jarige Giovanni heeft een droom: meedoen aan het Nederlands Kampioenschap synchroonzwemmen. Als eerste jongen in de geschiedenis van deze sport. Het is niet alleen zijn droom. Het is een doel dat hij helder voor ogen heeft. Daar traint hij keihard voor. Tussen alle meisjes ondersteboven in het zwembad met een klem op zijn neus. En thuis op zijn kamer rekt en strekt hij zijn spieren om zijn lenigheid te vergroten. Zelfs een romantische picknick met zijn vriendinnetje onderbreekt Giovanni om zijn buikspieroefeningen te doen. Hij heeft er veel voor over om zijn doel te bereiken. De pesterijen van zijn klasgenootjes, omdat hij een meisjessport doet, neemt hij op de koop toe. De grote hoeveelheden zwembadwater kunnen het heilige vuur dat binnenin Giovanni brandt, niet doven.
olympische-fakkel
Zo’n binnenbrand die sporters drijft, noem je intrinsieke motivatie. Motivatie van binnenuit, omdat een sporter het zelf wil. Turner Epke Zonderland is hiervan een goed voorbeeld. Hij wil het beste uit zichzelf halen om zijn taak, de rekstokoefening, perfect uit te voeren. Hij zoekt daarbij de grenzen op om steeds beter te worden. Ook de Zwitserse tennisser Roger Federer kan niet ongenoemd blijven. Hij heeft alles gewonnen wat er maar te winnen valt en toch blijft hij doorspelen. Omdat hij van het spelletje houdt.

Het tegenovergestelde is extrinsieke motivatie. Sporters die gedreven worden door zaken van buitenaf. Zoals geld, beloningen, prijzen, aandacht en status. Extrinsieke motivatie draagt niet bij aan het spelplezier en de ontwikkeling van een sporter op de lange termijn.

Intrinsieke motivatie begint bij de sporter zelf. Hij moet in eerste instantie sport leuk vinden vanuit eigen interesse. Ouders kunnen hun kind niet dwingen iets leuk te vinden. Ze kunnen slechts hun kind in contact brengen met sport. Maar als een kind eenmaal zijn sport heeft gevonden zijn ouders wel degelijk van invloed op het maken of breken van intrinsieke motivatie.

Een vader die zijn zoontje een euro geeft voor elk doelpunt dat hij scoort, helpt de intrinsieke motivatie om zeep. Voetbal is niet meer leuk om het spel zelf, maar om het geld dat het oplevert. Geen doelpunten, geen geld, geen plezier. Dit is wel een heel expliciet voorbeeld. Maar het kan ook subtieler. Ouders die nadrukkelijk de winst van hun kind bejubelen begeven zich op glad ijs. Het kind krijgt voor het goede resultaat een externe beloning in de vorm van positieve aandacht. Welk kind wil dat nu niet? Bij verlies blijft deze positieve aandacht echter uit. En verandert misschien zelfs wel in negatieve aandacht. Beter is het om je kind te prijzen om zaken waar het invloed op heeft, ongeacht de uitslag. Zoals inzet, samenwerking of vooruitgang in zijn spel. Zo help je je kind plezier te houden in zijn sport om de sport en niet om iets anders.

Benieuwd of Giovanni zijn examen haalt en mee mag doen aan het NK? Bekijk via de volgende link de korte film. Giovanni en het waterballet